Ga naar hoofdinhoud

Exposanten ESEF: Veel werk, lage marges

Nevat-leden rekenen op een gemiddeld groei in 2016 van 5 tot 10% (foto: Jaarbeurs Utrecht ESEF)

De Nederlandse maakbedrijven hebben het druk. Afhankelijk van de sector waarin ze actief zijn, profiteren ze in méér of mindere mate van het economisch herstel. De marges zijn echter nog altijd niet hersteld van klappen tijdens de crisis. En de machinebezetting is nog nét niet hoog genoeg om uitbreidingsinvesteringen op gang te brengen. 

Het gaat goed, klinkt het bij de vier brancheverenigingen die de scope van ESEF 2016 (15 – 18 maart in de Jaarbeurs in Utrecht) afdekken. “Het herstel zet door. 2014 was een goed jaar, 2015 is beter geworden. Extra positief voor onze sector is dat de bouw door de crisis heen is”, zegt Erik de Ruijter, directeur van de NRK (Nederlandse Rubber- en Kunststofindustrie).

Daarnaast zijn er in deze sector tekenen van reshoring: grote OEM’ers halen werk terug naar Nederland omdat wereldwijd inkopen en produceren stilaan als een risico wordt gezien. Bovendien ziet men in dat het beheersen van een mondiaal sourcing systeem kostbaar is. “Als locatie productiebedrijvenconsortia vormen, zoals in de wegenbouw, wordt dit interessant omdat we daarmee risico’s voor OEM’ers kunnen wegnemen”, aldus Erik de Ruijter.

“De trend is omhoog”, valt Richard Schuitema van Koninklijke Metaalunie hem bij. “De omzetten in de industrie als geheel nemen toe, maar prijzen blijven kwakkelen. En niet alle deelsectoren doen het goed.” Oppervlaktebehandelaars zijn in alle markten actief. Een soortgelijk beeld als de metaalindustrie dus, schetst Egbert Stremmelaar van vereniging ION. “Bedrijven gerelateerd aan de OEM machinebouw doen het goed; wie veel voor de bouw werkt, begint nu pas uit het slop te raken.”

Nevatleden verwachten groei

Dat niet alle deelmarkten hetzelfde groeitempo kennen, merkt ook Edwin Dekker van de Nevat, de branchevereniging van toeleveranciers. “Wie in de medische markt zit, doet het goed, semicon ook, ondanks de kleine terugslag op dit moment. Wie echter in olie en gas zit, zit in een markt die moeizaam gaat. Dat geldt ook voor de agro-industrie op sommige plaatsen.” Toch rekenen de Nevat-leden gemiddeld in 2016 op een groei van 5 tot 10%. Deze groei ontstaat door een combinatie van de verder aantrekkende binnenlandse markt én toenemende export, doordat OEM’ers risico’s kwijt willen die de toeleveranciers overnemen.

Positief dus met een kanttekening, zo kun je de huidige markt samenvatten. Een opmerking die je bij meerdere brancheverenigingen hoort, is die van de lage marges. Rob van der Werff, ondernemersadviseur bij de Metaalunie, verwacht dat het bedrijfsresultaat in de metaalverwerkende industrie in 2015 licht zal zijn verbeterd tot ergens tussen de 3,5 en 4%, nog altijd minder dan de helft van het bedrijfsresultaat in 2008.

De 8% die de bedrijven toen overhielden (voor belasting en rente) was wellicht overdreven en kwam met name doordat er capaciteitstekort was; de huidige 4% is te weinig voor een goed investeringsklimaat. De lage resultaten komen onder andere doordat de laatste 10 jaar prijsconcurrentie uit lage lonen landen is geïmporteerd, uit China en Oost-Europese landen. Rob van der Werff verwacht dat zodra de bezettingsgraad weer boven de 85% komt, de metaalbedrijven ruimte krijgen om hun prijzen te verhogen.

Interen op spaargeld
Bij de oppervlaktebehandelaars ziet het financieel plaatje er niet veel beter uit. “De marges zijn flink verdund. Veel bedrijven hebben amper ruimte om te investeren”, zegt Egbert Stremmelaar. Dat er in de crisis zo weinig bedrijven zijn omgevallen, heeft volgens hem alles te maken met de financieringsstructuur van de branche. “Het zijn veelal (kleinere) familiebedrijven, die momenteel accepteren dat ze interen op hun spaargeld.” Hij ziet wel dat soms bedrijven worden overgenomen door andere bedrijven waardoor groepen ontstaan.

In de oppervlaktebehandeling verbeteren de marges nog niet nu het beter gaat. “Het is een ongeschreven wet dat wat je weggeeft, ben je kwijt.” Het probleem waar deze sector tegen opbokst, is het ongelijke speelveld in Europa. “Zaken die in Nederland al gehandhaafd worden, zijn in Zuid- en Oost-Europa vaak nog gewoon mogelijk, en dat is niet goed voor de concurrentiepositie van Nederland. Als uiterste consequentie zou dit kunnen leiden tot het uitvallen van de oppervlaktebehandelende bedrijven. En als je de oppervlaktebehandelaar wegjaagt, jaag je uiteindelijk de maakindustrie weg.”

Investeren in innovatieve technologie

Het probleem dat door de lage resultaten dreigt, is dat er onvoldoende middelen zijn om te investeren in broodnodige technologische innovatie, die gelijktijdig met de ESEF 2016 in Utrecht getoond wordt op de TechniShow. In de oppervlaktebewerking zijn innovaties bijvoorbeeld keramische deklagen en nanocoatings. “Als je geen ruimte hebt, blijf je hangen en ga je op termijn achter lopen”, zegt Egbert Stremmelaar. Innoveren moet. Het industriële speelveld wijzigt in hoog tempo. Het internet maakt de globale markt transparanter.

Edwin Dekker (Nevat): “We leven in een globale wereld waarin morgen een bedrijf uit Brazilië je grootste concurrent kan zijn. Dus moet je iets slimmers bedenken. Niet meer u vraagt, wij draaien, maar opschuiven richting OEM’er. Daarvoor is leiderschap nodig.” Aan de andere kant worden series nog steeds kleiner; vragen OEM’ers alsmaar meer maatwerk. Dat betekent haast per definitie dat voor de Europese consumenten er in Europa geproduceerd moet worden. Investeren in machines om kleinere series te maken, maatwerk te leveren en snel te kunnen reageren, is de enige manier om werk terug te halen, denkt men bij de Metaalunie. Rob van der Werff: “Die trend gaat hard momenteel en speelt ons in de kaart. We kunnen dit echter alleen als we investeren in machines die dat kunnen.”

Een alternatieve strategie is meer samenwerken, denkt Richard Schuitema, manager toeleveren en uitbesteden bij de Metaalunie. “Samenwerken wordt steeds belangrijker.” En dan bedoelt hij ook samenwerken om investeringen op elkaar af te stemmen, zodat de overcapaciteit die in 2008 in de markt ontstond, vermeden wordt en bedrijven toch mee kunnen gaan in de technologische innovatie. “Specialiseren in markten, producten en processen, dan pas kun je uitblinken.”

Samenwerken in de waardecirkel

Met samenwerken in de keten is de rubber- en kunststofindustrie ver. Volgens Erik de Ruijter wordt er in deze sector 10 tot 20% méér samengewerkt dan gemiddeld in de maakindustrie. “Qua samenwerking en kennisuitwisseling steken wij er met kop en schouder bovenuit.” Bij veel innovatieprojecten zit de hele waardecirkel aan tafel, waardoor time to market korter wordt en voorkomen wordt dat de oplossing van de één het probleem van de ander wordt. “We boeken hierdoor sneller betere resultaten”, aldus Martin van Dord van de NRK.

Bij de NRK ziet men samenwerking als een van de drie pijlers onder smart industry. “Technologie, organisatie en individueel commitment, daar gaat het om. ICT technologie is belangrijk, maar smart industry is niet alleen technologie”, aldus De Ruijter. Ook bij de Metaalunie ziet men smart industry als onderdeel van de oplossing om de positie van de Nederlandse industrie te versterken. Communiceren, stappen zetten in het voor- en natraject van een bewerking. “Er valt veel winst te halen in de communicatie tussen partijen in de keten. Dat maakt de hele keten goedkoper.” En internationaal dus concurrerender.

x
Mis niet langer het laatste nieuws

Schrijf u nu in voor onze nieuwsbrief.

Inschrijven