In een tijd waar de roep om robotprogrammeurs toeneemt en applicaties complexer worden, spelen veel robotleveranciers hierop in door programmeren eenvoudiger te maken. Volgens directeur Paul Hermans van Alpha Robotica biedt eenvoudiger programmeren zeker uitkomst voor de eenvoudige toepassingen. Maar wie voorbij de generieke oplossing wil, ontkomt niet aan verregaande robotkennis. Deze verschilt bovendien per robotmerk. Een standaard is en komt er niet.
In een zoektocht naar een goede gesprekspartner voor leverancier-onafhankelijk robotprogrammeren, bleek Alpha Robotica uit Alphen aan de Rijn een schot in de roos. Niet alleen programmeert het zeventienkoppige bedrijf zo’n beetje elk gangbaar robotmerk, ook qua type toepassingen zijn hun projecten zeer uiteenlopend. De door hen geprogrammeerde veelassers draaien al meer dan twintig jaar onder andere in de agri, food, maakindustrie, keramische productie, automotive en lucht- en ruimtevaart.
Allemansvriend
Alpha Robotica’s verdienmodel omvat geen hardware- of eigen software-levering, maar beperkt zich bewust tot native regels robotcode. Robotinstructies dus, direct in de moedertaal van de robot, zonder afdwalende conversies of multi-interpretable abstracties. Dit maakt dat Alpha Robotica geen concurrent is van machinebouwers, integratoren, toeleveranciers en eindgebruikers. De code die ze schrijven is klant-specifiek voor een project. Ja, er wordt ook gebruik gemaakt van de toepassing-specifieke bibliotheken met bewezen programmablokken voor gangbare robottaken. En ja, er wordt hierbij wel eens een teachpendant ter hand genomen en aan wat parameterknoppen gedraaid voor het juiste resultaat.
Maar nooit is dit soort indirecte communicatie knip/plak-werk. Het is altijd in contextuele harmonie/synergie met het handgeschreven hoofdprogramma. Draagt de auteur van zo’n hoofdprogramma toevallig een Alpha Robotica-t-shirt, dan zijn syntax en woordkeuze volgens Hermans altijd elegant, efficiënt en robuust. Sterker nog, hij is ervan overtuigd dat de Alpha Robotica-stijl direct is te herkennen, mocht hij deze in een willekeurig project onder ogen krijgen.

Schrijfstijlen en dialecten
Hem herkennen is voor weinigen weggelegd, maar blijkbaar heeft dus ook een robotprogrammeur een eigen schrijfstijl. Robots horen die van Alpha Robotica graag, getuige de doorgaans grotere vraag naar robotcode dan de eigenlijke schrijfcapaciteit van het bedrijf. “Tegen bestaande klanten zeggen we nooit nee. Helaas geldt dat niet voor nieuwe klanten. Het is een bewuste keuze om voorzichtig met groei om te gaan. Het scholen van nieuw programmeertalent vergt veel geduld en zelfreflectie. Naast de gebruikelijke programmeervaardigheden, wil je ook de Alpha Robotica-signatuur tot tweede natuur maken. Dit naast ruimte voor persoonlijke groei en expertiseontwikkeling. Ook dat is namelijk deel van de zeer persoonlijke Alpha Robotica-aanpak,” aldus Hermans.
Praktisch betekent dit dat de ‘gezellen’ van de Alphense School meerdere robottalen moeten beheersen. Afhankelijk van hun affiniteit en talent kunnen zij echter ook langdurig diep in de keuken van trouwe klanten kijken en hier gezamenlijk unieke procesexpertise met een bijbehorend robotdialect opbouwen. Hermans benadrukt dat Alpha Robotica in deze gevallen niet voor de concurrent programmeert. Met proces-specifieke ‘dialecten’ de markt op gaan kan lucratief zijn. Maar het verstoort vertrouwensrelaties, die voor hem veel belangrijker zijn dan geld. Veel liever doen ze het samen en groeien ze met hun klanten mee.
TIP, deze artikelen over robotisering vind je vast ook interessant om te lezen:
- Wireless evolutie van AGV’s bij Mercedes-Benz
- Cobotica helpt innoveren in logistiek
- Exoskelet testen in gewichtloosheid
- Stäubli TX2-200 laat zijn spierballen goed rollen
Gebouwd op vertrouwen
Volgens Wouter Bierman, robotspecialist/control engineer bij Alpha Robotica, is meegroeien met klanten om meerdere reden de beste strategie. Op de eerste plaats stelt het hem en zijn collega-programmeurs – slechts twee van de Alpha Robotica-collega’s programmeren niet – in staat te doen waar ze enthousiast van worden: gave robotdromen van klanten met klare robottaal tot leven brengen. Geen inkoop, verkoop of ander niet robot-gerelateerd werk dat afleidt van de core business. Op de tweede plaats is er in de toekomst alleen maar meer behoefte aan robotprogrammeurs.
Deels wordt die behoefte zelf gecreëerd door succesvolle projecten. Bierman: “Door het maximale uit de robots van je klanten te halen, worden zij succesvol en komt er vanzelf meer werk. De opgedane ervaring en met blaren vergaarde codepareltjes vloeien rechtstreeks door naar vervolgprojecten, die hierdoor een hogere kwaliteit met een snellere time-to-market kennen. Dit is goed nieuws voor de concurrentiepositie van de klant. En voor ons, helemaal als opvolgers dezelfde robottaal gebruiken. Nu is dit laatste tegenwoordig wat minder vanzelf sprekend dan voor corona. De levertijden staan momenteel behoorlijk onder druk, wat betekent dat er lastminute zomaar een ander merk binnen gefietst kan worden. Deels eigen schuld natuurlijk. Onze klanten weten dat dit in overleg kan, omdat elke Alpha Robotica-programmeur meertalig is opgevoed.”

Native robottalen blijven
Gevraagd of de rol van de programmeur met de komst van steeds betere software-tools voor robotsimulatie en offline programmeren, of intuïtieve robotonafhankelijke programmeertools zoals ROS niet zal veranderen, antwoordt Erik van der Vlugt, dga en robotspecialist bij Alpha Robotica sceptisch. “Ik vind het een goede ontwikkeling dat fabrikanten proberen robotica bereikbaarder te maken voor een groter publiek en dus een groter aantal applicaties. De opmars van de cobot is hiervan een mooi voorbeeld, en het zou me niets verbazen dat sommige robotprogrammeertools niet een vergelijkbare adoptiecurve laten zien. Maar uiteindelijk is dit soort generieke tools te beperkt voor als het er echt op aan komt. Nu snap ik wel dat je kan stellen dat elke zesasser dezelfde kinematica kent en er theoretisch dus geen reden is om hem niet op een wiskundig beschreven abstractieniveau generiek te kunnen aansturen. Toch gaat dit om praktische redenen niet lukken. Het probleem is: er is geen standaard. Elke robot heeft zijn eigen besturing met zijn eigen taal om met die besturing te communiceren.”

Van der Vlugt stelt dat je hiermee specifieke eigenschappen low level heel precies kunt programmeren en dus controleren. “Wat die eigenschappen zijn en hoe je die programmeert, verschilt per robot en is historisch zo gegroeid. Zo zijn robots van Fanuc en Yaskawa beiden Japans en hebben ze bovendien een zelfde basis in een sterk opkomende automotive sector. Deze had bijvoorbeeld een grote behoefte aan specialistische lasfunctionaliteit, wat eisen stelde aan de manier van aansturen. Niet verwonderlijk dus dat Karel van Fanuc en INFORM van Yaskawa best wat overeenkomsten vertonen. Een Staubli, daarentegen, komt uit de textiel, waar het heel precies priegelen met garen weer hele andere dingen vroeg. Je ziet dan ook specifieke ‘priegelfuncties’ terug in hun programmeertaal VAL3, wat er meteen ook toe leidt dat ze vaak gekozen worden bij hoognauwkeurige toepassingen.”
Niet altijd hoogstandjes nodig
Volgens Hermans zit de bottleneck van robotonafhankelijke software hem vooral in het niet toegankelijk zijn van robot-specifieke functies. “Voor veel toepassingen zijn robotmerk gerelateerde hoogstandjes helemaal niet nodig. Dozen koekjes op een pallet zetten kunnen ze allemaal met twee grijpervingers in hun neus. Maar waarom zou je ook dat soort toepassingen generiek programmeren? Je beperkt je dan per definitie tot een compromisprogramma. Ja, het kan op alle op de markt verkrijgbare robotsystemen draaien. Maar het laat al die robots ondermaats presteren. Kan je niet veel beter het best mogelijke programma schrijven voor de robot die daadwerkelijk het werk gaat doen? Ik denk het wel. En dat programma laat je het beste door een gelouterd native speaker schrijven, die naast karakteristieke robotdeugden en nukken ook het proces doorgrondt en niet alleen snapt wat de robot waar en wanneer moet doen, maar ook waarom dit de beste keuze is. Voor hem of haar is rechtstreeks communiceren in klare robottaal zonder tussenlagen altijd sneller, flexibeler en ondubbelzinniger dan het werken met tools die eigenlijk bestemd zijn voor gebruikers die native talen niet machtig zijn. Vooral door de behoefte om low level rechtstreeks met de robot te kunnen communiceren, zullen er altijd native robottalen bestaan. Dat is goed nieuws voor de meertalige robotprogrammeur, maar ook voor de eindgebruiker die er hierdoor ook de gedurfde vragen aan de robot kan stellen.”


